In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie afgelopen week ten overstaan va het gerechtshof in Leeuwarden een gevangenisstraf van acht jaren geëist tegen een 29-jarige man uit Assen. Onze cliënt wordt er van verdacht zijn drie maanden oude zoontje in oktober 2022 opzettelijk van het leven te hebben beroofd. De eis is gelijk aan de door de rechtbank in Assen opgelegde straf. De verdediging ging tegen het vonnis in hoger beroep.
Volgens deskundigen is het letsel het gevolg van heftig geweld. Onze cliënt ontkent stelling en consequent iets met het overlijden te maken te hebben.
Raadsman Tjalling van der Goot betoogde dat de deskundigen weliswaar concluderen dat er sprake moet zijn geweest van heftig geweld (stompen of schudden) maar dat daarmee niet vastgesteld kan worden dat het geweld het gevolg is van een opzettelijke handeling of van een ongeval. Vlak voordat het slachtoffertje reanimatiebehoeftig was geworden, was het van de commode gevallen. Volgens cliënt had hij direct gecheckt of het goed ging, dat leek het geval. Niet lang daarna werd het zoontje onwel en zijn hulpdiensten ingeroepen. En dag later is het zoontjes overleden.
Indien het hof zou bewijzen dat geen sprake kan zijn van een ongeval, betoogde de verdediging dat hetgeen gebeurd is een ‘invuloefening’ is. Immers, niet kan worden vastgesteld wat er dan precies voorgevallen is. Is sprake van opzet de dood? Of opzet op (zware) mishandeling de dood tot gevolg hebbend? Of is hooguit sprake van schuld omdat cliënt wellicht (aanmerkelijk) onvoorzichtig is geweest doordat het mogelijk was dat zijn zoontje van de commode kon afvallen?
Volgens Van der Goot zijn er vele bewijshobbels te nemen door het hof. Bovendien zal voor de straf van belang zijn te weten wat zich precies heeft afgespeeld. Een eis van acht jaar cel voor doodslag doet in de visie van de verdediging geen recht aan de feiten.
Klik hier voor een publicatie over de zitting in het Dagblad van het Noorden.
Het gerechtshof doet uitspraak op 19 mei.