Een 31-jarige man van Oekraïense afkomst is afgelopen week door de politierechter in Assen veroordeeld voor – onder meer – spookrijden op de A28 nabij Beilen in februari van dit jaar. De rechter veroordeelde de man hiervoor – en voor mishandeling van zijn partner en het rijden onder invloed – tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, een taakstraf van 150 uren en een rijontzegging van negen maanden.
Onze cliënt erkende de mishandeling en het rijden onder invloed. Cliënt had relatieproblemen en had bij kennissen drank genuttigd. Daarna wilde hij terug naar zijn verblijfadres. Daarbij kwam hij naar eigen zeggen onbedoeld op de verkeerde rijbaan van de snelweg terecht. Bij de politie had cliënt verklaard niet te hebben beseft dat hij aan het spookrijden was. “Ik dacht dat ik op de juiste rijstrook reed.”
Klik hier voor een artikel over de zitting op Sikkom.nl.
De zaak kent twee principiële aspecten.
De eerste is de vraag of bewezen kan worden dat onze cliënt zich had schuldig gemaakt aan overtreding van art. 5a van de Wegenverkeerswet (WVW), een bepaling die pas enkele jaren bestaat. Hierin is geregeld dat het verboden is opzettelijk verkeersregels in ernstige mate te schenden indien dit levensgevaar of gevaar voor zwaar letsel oplevert. Niet ter discussie stond dat sprake was van verkeersgevaarlijk gedrag, wel dat dit opzettelijk zou zijn gebeurd. In de wet is namelijk ook een niet-opzettelijke variant van verkeersgevaarlijk gedrag opgenomen. Raadsvrouwe Annemiek Bolding bepleitte vrijspraak van opzet. De rechter oordeelde anders door te overwegen dat een bestuurder met alcohol op daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat verkeersregels ernstig worden geschonden. Een dergelijke bewuste aanvaarding is voldoende voor opzet. In de visie van de verdediging wordt daarmee de deur open gezet voor het bewijs van art. 5a WVW indien tevens sprake is van alcoholgebruik. Dat is niet de bedoeling van de wetgever geweest. Rijden onder invloed van alcohol is een separaat strafbaar feit, niet een bewijsmiddel voor opzet op het schenden van verkeersregels in het algemeen.
Daarnaast oordeelde de rechter dat een celstraf van twee weken passend was. Tegen zo’n korte vrijheidsstraf verzetten wij ons als kantoor al langere tijd fel. Uit tal van onderzoeken blijkt dat een gevangenisstraf negatieve gevolgen heeft, anders dan na een taakstraf. Gezaghebbende organisaties – zoals de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) – adviseren bovendien om vooral naar alternatieve afdoeningen te kijken. Daar komt bij dat gevangenissen overvol zitten en zogeheten ‘zelfmelders’ (i.e. veroordeelden die niet worden aangehouden om hun straf te ondergaan maar een oproep krijgen om zich te melden bij een penitentiaire inrichting) vooralsnog niet worden opgeroepen. Een door de rechter opgelegde straf betekent in de praktijk dat het sterk de vraag is of deze ten uitvoer wordt gelegd. Dat is voor het gezag van een rechterlijke uitspraak onwenselijk. Mede om die reden is een wetsvoorstel ingediend om elektronische detentie als hoofdstraf in te voeren en om het maximaal aantal uren voor een taakstraf te verhogen. Ook de Raad voor de Rechtspraak heeft in een advies de zoektocht naar alternatieven voor een korte gevangenisstraf ondersteund.
Het is voor de verdediging moeilijk te begrijpen dat de rechter desondanks een korte gevangenisstraf van twee weken heeft opgelegd.
Het OM eiste overigens een gevangenisstraf van een maand.
De verdediging heeft veertien dagen de tijd om eventueel hoger beroep in te stellen.