Deze week heeft de Hoge Raad het door raadsman Jan Boksem ingestelde cassatieberoep in de zaak Vidar verworpen. In cassatie is de vraag voorgelegd of de inzet van een criminele burgerinfiltrant rechtmatig was. Onze cliënt – een 61-jarige man – werd eerder door het gerechtshof in Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren.
Klik hier voor de uitspraak en hier voor de uitspraak waarnaar de Hoge Raad verwijst voor de inhoudelijke beoordeling.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet aan het openbaar ministerie de mogelijkheid biedt om met “een persoon die geen opsporingsambtenaar is” (een burgerinfiltrant) overeen te komen dat deze bijstand verleent aan de opsporing. Voorwaarde is dat het onderzoek dit dringend vordert en dat het gaat om misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Bovendien mag een burgerinfiltrant alleen worden ingezet indien infiltratie door een agent niet mogelijk is. Een burgerinfiltrant mag door de inzet niet gebracht worden tot feiten die deze voordien niet van plan was te plegen. In beginsel mag een burgerinfiltrant ook geen strafbare feiten plegen.
Volgens de Hoge Raad is in de wet geen beperking opgenomen om een ‘criminele burgerinfiltrant’ in te zetten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt wel dat terughoudend moet worden omgesprongen met de inzet van ‘ criminele burgerinfiltranten’ en dat de inzet beperkt moet blijven tot uitzonderingsgevallen.
Ook uit de Aanwijzing van OM zelf blijkt dat de inzet alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag plaatsvinden. De inzet moet kortdurend zijn. Uit die Aanwijzing -waaraan een officier van justitie gebonden is – volgt bovendien dat het voornemen van de inzet van een criminele burgerinfiltrant door de hoofdofficier van justitie ter goedkeuring aan het college van procureurs-generaal is voorgelegd en dat het college met dat voornemen heeft ingestemd. Daarna moet de minister toestemmen.
In een strafproces is volgens de Hoge Raad essentieel dat de rechter voor de beoordeling van de rechtmatigheid inzicht verkrijgt in het concrete verloop van de uitvoering van deze opsporingsmethode en in de contacten en interactie tussen de (‘criminele’) burgerinfiltrant en de verdachte.
Volgens de Hoge Raad is in deze concrete strafzaak de inzet van een criminele burgerinfiltrant in het opsporingsonderzoek Vidar door het gerechtshof afdoende beoordeeld en goedgevonden. Het hof heeft gelet op de eisen en op de manier van verslaglegging. Ook is onderzocht of het college van procureurs-generaal en de minister toestemming hebben gegeven. Hoewel het hof heeft vastgesteld dat er vormen zijn verzuimd (o.a. het moment waarop door het college toestemming is verleend en het moment waarop de minister op de hoogte is gebracht) heeft het hof volgens de Hoge Raad op een juiste wijze gemotiveerd waarom deze verzuimen geen gevolgen hoeven te hebben. Daarbij heeft het hof gelet op het feit dat de rol van de infiltrant beperkt bleef tot een bijrol en dat door de inzet van de criminele burgerinfiltrant geen afbreuk is gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing.
De uitspraak van het gerechtshof is hiermee definitief.