Nieuws

  • 6
    apr
    2019

    Dochter in Arville-zaak: geen witwassen

    Op 5 april jl. diende ten overstaan van het gerechtshof in Leeuwarden het hoger beroep dat een 29-jarige vrouw uit Leeuwarden had ingesteld. De rechtbank Noord-Nederland had onze cliënte in mei 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk. Volgens de rechtbank had zij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen door een deel van de financiering van een auto en een tatoeëerstoel te accepteren als gift van haar vader. Haar vader werd door de rechtbank destijds veroordeeld wegens grootschalige witwaspraktijken en betrokkenheid bij handel in cocaïne tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. Het onderzoek naar vermeend witwassen staat bekend als het Arville-onderzoek.

     

    Ter terechtzitting werden de hoger beroepszaken van de vader, de moeder en dochter - onze cliënte - behandeld. Raadsman Tjalling van der Goot bepleitte vrijspraak van witwassen. Voor het bewijs is namelijk primair van belang dat het hof vaststelt dat de gelden waarmee door de vader de auto en de stoel zijn gefinancierd van misdrijf afkomstig zijn. Als het hof het bewijs hiervan kan leveren, is voor het bewijs van witwassen noodzakelijk dat cliënte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de spullen waren aangeschaft met crimineel geld. De raadsman benadrukte dat cliënte als dochter geen zicht had op de financiën van haar vader. Ogenschijnlijk was haar vader zakenman en had hij het financieel goed. Van cliënte als dochter mag bovendien verwacht worden dat zij vertrouwen heeft in haar ouders en geen wantrouwen uit als zij gelden ontvangt van haar vader. Van belang is voorts dat de giften een relatief geringe waarde vertegenwoordigden (in totaal zo’n € 10.000,-). Indien bij de vader sprake is van vermenging van legaal met illegaal vermogen, kan – gelet op de geringe waarde van de verweten witwassen gelden – niet bewezen worden dat deze per definitie van misdrijf afkomstig moeten zijn.

     

    Voor zover het hof toch tot een veroordeling zou komen, stelde Van der Goot voor om af te zien van detentie en – mede vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden - te volstaan met een werkstraf. De ten laste gelegde feiten betreffen het voorhanden hebben van een auto in de goedkope prijsklasse waarvan een deel is betaald door vader en het accepteren van een stoel. Die feiten rechtvaardigen niet snel een gevangenisstraf. Het OM eiste ter zitting om aan cliënte dezelfde straf op te leggen als door de rechtbank was opgelegd. De verdediging uitte hierover haar verbazing omdat datzelfde OM in eerste aanleg (slechts) een geldboete had geëist. De verdediging benadrukte dat het hof in de uitspraak geen rekening mag houden met de door het OM geuite vermoeden dat sprake is van het profiteren op grote schaal van een door vader gefaciliteerd luxe leventje. Dat profiteren zou mogelijk ook als witwassen of heling kunnen worden gekwalificeerd. Nu deze feiten niet ten laste zijn gelegd, mag het hof hiermee volgens de advocaat in de strafmaat geen rekening houden.

     

    Omdat het hof de behandeling van de zaak tegen de moeder heeft aangehouden tot 18 juni a.s. wordt om praktische reden het onderzoek in de zaak tegen cliënte op die dag gesloten. Het hof doet vervolgens op 2 juli om 13.30 uur uitspraak.

     

     

@TjallingvdGoot RT @RechtbankReport: Niet alleen actief in de rechtbank, blijkt maar weer. #voetbaltoernooi @AnkerenAnker pic.twitter.com/lI75TAuUNx