Nieuws

  • 24
    okt
    2022

    Primeur: rechtbank stelt prejudiciële vragen over gebruik Encrochat-berichten

    In een zaak van een 34-jarige inwoner van Leeuwarden maakt de rechtbank in Leeuwarden – mede op verzoek van raadsman Leon Klewer – gebruik van de sinds 1 oktober jl. in de wet opgenomen bevoegdheid om zogeheten prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Voorheen beslisten rechters van rechtbanken en gerechtshoven zelf over de uitleg van het recht met het risico dat de Hoge Raad jaren later die beslissing vernietigde waarna de zaak soms weer opnieuw moest worden behandeld. Nu kan de rechtbank over een specifiek rechtsprobleem aan de Hoge Raad de vraag stellen op welke wijze de wet of het recht moet worden uitgelegd. Volgens de wet moet het bij prejudiciële vragen gaan om een vraag waar aan de beantwoording bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.

     

    Het gaat in deze zaak om vermeende betrokkenheid bij drugshandel. Het onderzoek is door de politie opgestart op basis van ontsleutelde Encrochat- en SkyECC-berichten. Het kraken van deze versleutelde berichten vond veelal plaats in het buitenland. Omdat in ons rechtssysteem wordt uitgegaan van het vertrouwensbeginsel, moet de Nederlandse rechter uitgaan van de rechtmatigheid van in het buitenland uitgevoerde opsporingsactiviteiten.

     

    Advocaten verzetten zich tegen deze wijze van bewijsgaring. Elke controle op de opsporing mist immers. Gisteren stuurde een groot deel van de strafrechtadvocatuur een brandbrief naar de minister van Justitie, Tweede Kamer, Raad voor de rechtspraak en het OM. Leon Klewer heeft deze brief namens ons kantoor ondertekend. Het belang van nieuwe opsporingsmethoden wordt onderkend, maar het is essentieel voor een eerlijk proces dat transparantie bestaat over het feitelijk verloop van de opsporing, zodat de rechter kan toetsen of het bewijsmateriaal rechtmatig én betrouwbaar is.

     

    De Hoge Raad gaat zich nu buigen over de uitleg van het vertrouwensbeginsel. Hij streeft ernaar om binnen vijf maanden uitspraak te doen.

     

    Overigens verzocht kantoorgenoot Jan Boksem reeds op 1 oktober jl. (de dag waarop de nieuwe wettelijke bevoegdheid in werking trad) aan het gerechtshof in Leeuwarden prejudiciële vragen te stellen. Het gaat in die kwestie om een zaak waarin onze cliënt in eerste aanleg is vrijgesproken en het OM in hoger beroep is gegaan. Volgens een recente uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité voldoet het Nederlandse systeem niet aan de eisen van het Internationaal Verdrag voor Burgerrechten en politieke rechten (IVBRP). Kort gezegd heeft een verdachte volgens het comité het recht op een ‘review’ van een veroordeling. Indien na een vrijspraak in eerste aanleg het gerechtshof in hoger beroep zou veroordelen, heeft het gerechtshof in hoogste feitelijke instantie veroordeeld en heeft de verdachte geen mogelijkheid deze veroordeling opnieuw te laten beoordelen. Jan Boksem heeft voorgesteld de Hoge Raad uitspraak te laten doen of de Nederlandse regeling over hoger beroep voldoet aan de eisen van het IVBRP. Het hof heeft nog niet op het verzoek van raadsman beslist.

     

     

@TjallingvdGoot "Stilzitten door OM: rechter verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk" https://t.co/GJJkKhrgjC