Nieuws

  • 16
    apr
    2019

    Veroordeling hulp bij zelfdoding door Albert Heringa definitief

    Albert Heringa is definitief schuldig bevonden aan de hulp bij zelfdoding van zijn (stief)moeder. De Hoge Raad heeft vandaag het cassatieberoep verworpen. De veroordeling door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is daarmee onherroepelijk. Het hof veroordeelde cliënt begin 2018 tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

     

    Cliënt wordt verweten dat hij zijn 99-jarige moeder geholpen heeft bij haar zelfdoding door – onder meer – het verschaffen van malariapillen.

     

    De Hoge Raad heeft zich primair uitgelaten over de vraag of cliënt – als niet arts - een beroep op overmacht kon doen. Eerder had het gerechtshof in Arnhem cliënt ontslagen van rechtsvervolging vanwege overmacht als noodtoetand. Het OM stelde toen beroep in cassatie in. De Hoge Raad verwees de zaak toen naar het hof in ’s-Hertogenbosch. Bij de beoordeling van een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat de wetgever m.b.t. verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie heeft voorzien in bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot handelen van artsen en heeft het vervolgens onderzocht of zich niettemin "uitzonderlijke omstandigheden" hebben voorgedaan op grond waarvan de handelingen van verdachte - die de hoedanigheid van arts miste - gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Daarvan uitgaande heeft het Hof verweer verworpen. Door aldus te oordelen heeft het Hof voornoemd toetsingskader niet miskend. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof aan zijn vaststellingen kennelijk en niet onbegrijpelijk de gevolgtrekking heeft verbonden dat niet aannemelijk is geworden dat geen redelijk alternatief bestond voor door verdachte gemaakte keuze om zijn (stief)moeder bij haar zelfdoding behulpzaam te zijn, noch voor wijze waarop en omstandigheden waaronder uitvoering van die keuze is geschied. De voor een arts vastgelegde geldende zorgvuldigheidseisen zijn niet van toepassing in een geval als het onderhavige waarin onze cliënt de - cruciale - hoedanigheid van arts mist. Het is evenwel niet uitgesloten dat de omstandigheid die in het kader van die zorgvuldigheidseisen relevant is, ook van belang kan zijn voor de beoordeling van - in geval als het onderhavige slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden - beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, bijvoorbeeld bij beoordeling van eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

     

    Het Hof heeft voorts geoordeeld dat uit de Europese rechtspraak niet kan worden afgeleid dat toepassing van art. 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in geval als het onderhavige - waarin onze cliënt, die ten tijde van het handelen de hoedanigheid van arts miste, naast een familielid bij zelfdoding behulpzaam is geweest en deze middelen daartoe heeft verschaft - in strijd is met bij art. 8 EVRM gewaarborgd recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad juist, mede gelet op de Europese rechtspraak waaruit onder meer naar voren komt dat lidstaten op dit terrein een ruime "margin of appreciation" toekomt.

     

    Klik hier voor arrest van de Hoge Raad.

@TjallingvdGoot RT @franekeracademy: Aanstaande woensdag 22 mei zitten onze college ‘banken’ al behoorlijk vol, maar er is nog plek voor u! Dhr. Tjalling…