Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft vandaag geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in ons land niet strijdig is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In een tweetal zaken van cliënten hadden de raadslieden Jan Boksem en Jessica Versluis gesteld dat de procedure niet voldoet aan de eisen in het Europese recht omdat het laatste woord over gratie uiteindelijk aan de minister is. Deze kan een door het sinds 2017 bestaande Adviescollege Levenslanggestraften uitgebracht advies terzijde schuiven.
In 2017 werd een uitspraak van het gerechtshof in Den Haag waarin aan onze cliënt Faig B. een levenslange gevangenisstraf werd opgelegd wegens – onder meer – de moord op een drietal vrouwen in Zwijndrecht en Helmond in mei 2011. In 2019 werd de uitspraak tegen onze cliënt George H. waarin hij tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld definitief. Het hof achtte bewezen dat H een tweetal jonge slachtoffers om het leven had gebracht door het inspuiten van een spierverslappend middel.
Samen met enkele andere tot levenslang veroordeelden is aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg de vraag voorgelegd of de Nederlandse procedure voldoet aan de eisen van de Europeesrechtelijke Verdragseisen.
Het Europees Hof herhaalt vandaag dat ook een tot levenslang veroordeelde persoon perspectief moet houden op vrijlating. De Nederlandse Staat heeft daarvoor een procedure ontwikkeld waardoor veroordeelden weten wat ze moeten doen om in aanmerking te komen voor vrijlating en onder welke voorwaarden een herziening van hun straf zal plaatsvinden. Uiteindelijk biedt gratie de mogelijkheid om eventueel terug te keren in de samenleving. Dat de uiteindelijke beslissing om gratie te verlenen ligt bij een politiek gekleurde bewindspersoon is door het Hof niet in de beoordeling meegewogen.