Gisteren werd door de rechtbank in Alkmaar de strafzaak behandeld tegen een 54-jarige cliënt. Onze cliënt werd verweten betrokken te zijn geweest bij een fataal verkeersongeval nabij Hippolytushoef in augustus 2024. Cliënt reed op een T-splitsing met zijn auto tegen een tweetal wielrenners. Een overleed, de ander raakte zwaargewond. De slachtoffers waren broers. Volgens het OM had cliënt zeer onvoorzichtig gereden. De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging van 30 maanden waarvan 12 voorwaardelijk. Raadsman Tjalling van der Goot bepleitte vrijspraak.
Klik hier voor een publicatie over de zitting.
Zaken over verkeersongelukken zijn altijd beladen. Over het algemeen staat vast dat de verdachte de gevolgen niet heeft gewild. Onderzoek moet dan achteraf uitwijzen of een bestuurder van een voertuig beter had moeten opletten en anders had kunnen handelen. Het is de taak van de verdediging om dit onderzoek kritisch tegen het licht te houden.
Het OM stelde dat onze cliënt schuld had. Hij zou te hard hebben gereden. Ter plaatse zou maximaal 60 km/u gereden mogen worden. Daarnaast had hij geen voorrang verleend aan de van rechts komende fietsers. Daardoor had hij zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen.
Advocaat Van der Goot wees er op dat op een binnenweg in wet- en regelgeving is geregeld dat een maximum snelheid van 80 km/u geldt. Een eventuele aanvullende snelheidsbeperking kan worden aangebracht door middel van bebording. Dat ter plaatse een beperking op de maximum snelheid van 80 km/u was aangebracht, bleek niet uit het dossier. Vastgesteld kon worden dat cliënt vanaf een dijk – mogelijk als gevolg van het naar beneden rijden – de maximum snelheid had overschreden. Dat was echter een stuk voor de T-splitsing. Vlak voor de T-splitsing had hij zijn snelheid teruggebracht naar 62 km/u. De verdediging stelde dat cliënt niet te hard had gereden.
De verdediging uitte voorts kritiek op het opsporingsonderzoek. Zo was geen aandacht besteed aan een rietkraag die mogelijk het zicht voor cliënt aan de hardfietsers ontnam. Bovendien ontbrak een vermijdbaarheidsanalyse waarin wordt onderzocht dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden als cliënt een lagere snelheid had gereden.
Raadsman Van der Goot concludeerde dat zijn cliënt geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Voor het geval de rechtbank anders zou oordelen, bepleitte hij naast een taakstraf een geheel voorwaardelijke rijontzegging. Cliënt is voor de uitoefening van zijn werk volledig afhankelijk van zijn rijbewijs. Een rijontzegging zou evenredig zware gevolgen hebben.
Cliënt en het slachtoffer dat zwaargewond raakte hebben na het ongeval een herstelbemiddelingsgesprek gehad. Ter zitting maakte het slachtoffer gebruik van het spreekrecht en bedankte cliënt voor de levensreddende handelingen op de ongevalslocatie. Het gesprek heeft beiden goed gedaan.
De rechtbank doet uitspraak op 7 april.