De Hoge Raad heeft gisteren een voor de praktijk belangrijke uitspraak gedaan over de mogelijkheid om de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest af te trekken van een door de rechter opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad deed dit nadat advocaat Jan Boksem hierover had geklaagd in een door hem aanhangig gemaakte cassatieprocedure. Boksem is cassatiespecialist en tevens actief lid van de Vereniging van Cassatieadvocaten in Strafzaken.
Klik hier voor de volledige uitspraak.
In deze zaak was de cliënte wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. Volgens de wet beveelt de rechter bij het opleggen van een tijdelijke vrijheidsstraf dat de tijd die de veroordeelde heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis bij de uitvoering van de vrijheidsstraf in mindering zal worden gebracht. De vraag is of een periode van schorsing van het voorarrest gelijk mag worden gesteld met het voorarrest. Zo ja, moet ook de tijd van de schorsing in mindering worden gebracht.
Door de rechter waren gedurende het proces aan de schorsing strenge voorwaarden verbonden waaraan de cliënte zich gedurende acht maanden heeft gehouden. Die voorwaarden hebben de bewegingsvrijheid aanzienlijk beperkt. Volgens Boksem heeft het hof ten onrechte de periode dat de cliënte uit de voorlopige hechtenis was geschorst niet in mindering had gebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
Volgens de Hoge Raad is er geen verplichting voor de rechter om te bevelen dat de duur van de schorsing in mindering wordt gebracht, ook niet als sprake is van een zodanige vergaande beperking van de bewegingsvrijheid van de verdachte als gevolg van de schorsingsvoorwaarden dat sprake is van ‘vrijheidsontneming’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Recht van de Mens. Toch biedt de Hoge Raad een opening.
“Het vorenstaande neemt niet weg dat de voorwaarden waaronder schorsing van de voorlopige hechtenis plaatsvindt, met zich kunnen brengen dat de verdachte gedurende de periode van schorsing in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Het is daarbij afhankelijk van (i) de inhoud van de voorwaarden die de rechter in het individuele geval aan de schorsing heeft verbonden en waartoe de verdachte zich bereid heeft verklaard deze na te komen, (ii) de duur van de schorsingsvoorwaarden en (iii) ook van de verdere omstandigheden van het geval, in welke mate die bewegingsvrijheid wordt beperkt en wat de concrete gevolgen daarvan zijn voor het dagelijks leven van de verdachte. Het is aan de rechter om te beoordelen of bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met dergelijke beperkingen en gevolgen.”
Het is aan de verdediging om in dergelijke gevallen uitdrukkelijk verweer te voeren en de rechter te vragen om tot vermindering over te gaan. Aftrek van het geschorste voorarrest betekent immers voor de veroordeelde een kortere detentie.
Voor een cassatieprocedure is bijstand door een advocaat verplicht. Indien u cassatie wilt instellen, adviseren wij u contact op te nemen met ons kantoor.