Nieuws

  • 3
    nov
    2026

    Hoge Raad: afwijzing aanhoudingsverzoek is niet goed gemotiveerd

    Vandaag heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan in een zaak waarin raadsman Jan Boksem in cassatie had geklaagd over een uitspraak van het gerechtshof in Leeuwarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof.

     

    Klik hier voor de volledige uitspraak.

     

    De verdachte was gedagvaard voor een zitting bij het hof in Leeuwarden, maar niet verschenen. De raadsvrouw van de verdachte heeft een aanhoudingsverzoek gedaan. Zij heeft aangevoerd dat de verdachte op weg naar de terechtzitting verkeerd was gereisd, waardoor hij in Groningen stond en nog naar Leeuwarden moest reizen. Daarbij heeft de raadsvrouw als mogelijkheid genoemd dat de komst van de verdachte zou worden afgewacht, waarbij zij te kennen gaf dat zij wist dat de zittingsruimte van het gerechtshof schaars is. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen op de grond dat het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 180 uren, voor het plegen van ontuchtige handelingen met een twaalfjarige jongen.

     

    In cassatie is over de afwijzing van het aanhoudingsverzoek geklaagd.

     

    De Hoge Raad heeft de klacht van Boksem gegrond verklaard. Gelet op het beoordelingskader dat geldt voor aanhoudingsverzoeken heeft het hof de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheid kennelijk aannemelijk gevonden. Het hof heeft de afwijzing gegrond op een belangenafweging, waarin het hof het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep en het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan heeft betrokken en waarbij het hof heeft geoordeeld dat het eerstgenoemde belang in dit geval zwaarder weegt. Uit deze motivering van het hof blijkt niet dat het hof onder ogen heeft gezien of het zittingsrooster van het hof een schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag mogelijk maakte. Het hof heeft bij die belangenafweging ook andere factoren die (mede) relevant zijn in verband met het belang van de verdachte om zijn aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen – zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak – niet kenbaar in de afweging betrokken. Het hof heeft daarom de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. De zaak moet opnieuw worden behandeld door het hof.

     

    Mocht u advies of bijstand wensen in een cassatieprocedure kunt u altijd contact met ons kantoor opnemen.