De rechtbank Noord-Nederland heeft vandaag een schadevergoeding toegekend aan de oud-verpleegkundige van het Wilhelminaziekenhuis in Assen. De hoogte hiervan is viermaal het bedrag dat in andere gevallen toegewezen. Klik hier voor de uitspraak.
Cliënt werd in 2023 verdacht van het plegen van “een twintigtal moorden” op patiënten in het Wilhelminaziekenhuis in Assen. Uiteindelijk is de strafzaak in 2024 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Door de raadslieden Tjalling van der Goot en Ronald Knegt was een verzoek ingediend om de schade te vergoeden die door het voorarrest is geleden. Zij vroegen de standaardvergoeding te verhogen met een factor 10.
Volgens de rechtbank komt aan een verdachte normaal gesproken voor de periode van voorlopige hechtenis een schadevergoeding van € 6.445,- toe.
De verdediging wees vooral op de ernst van het verwijt die een verhoging met een factor 10 rechtvaardigt. Volgens het OM was een verhoging met een factor 2 voldoende. De rechtbank acht een verhoging met een factor 10 te hoog. “De door verzoeker omschreven immateriële schade bestaat namelijk voor een belangrijk deel uit schade die niet het gevolg is van het ondergane voorarrest maar van politieoptreden, het handelen van medewerkers van de GGZ en communicatie door het Openbaar Ministerie. Hoe invoelbaar het ook is dat deze omstandigheden veel impact op verzoeker hebben gehad en nog steeds hebben, komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking in onderhavige procedure.”
De rechtbank acht de door het OM voorgestelde (kleine) verhoging daarentegen te laag. “Verzoeker werd ervan verdacht vanuit zijn beroep als verpleegkundige een twintigtal mensen om het leven te hebben gebracht op de palliatieve covid-afdeling van het [ziekenhuis] . Een verdenking van deze aard en omvang is ongeëvenaard in Nederland. Daarnaast had verzoeker reeds voor zijn aanhouding ernstige psychische klachten ontwikkeld. Aannemelijk is dat de combinatie van de zwaarte van de verdenking, de zeer grote media-aandacht voor de zaak en de toch al broze mentale toestand van verzoeker hebben gemaakt dat de gevolgen van de detentie veel zwaarder op verzoeker hebben gedrukt dan normaal het geval is. De rechtbank heeft ook oog voor het aanzienlijke tijdsverloop tussen de sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie en de behandeling van het verzoek op zitting, met overigens de kanttekening dat een deel van dit tijdsverloop het gevolg is geweest van de artikel 12-procedure.”
Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om de forfaitaire vergoeding te verhogen met een factor 4.