Nieuws

  • 30
    okt
    2026

    Eis 14 jaar gevangenisstraf poging moord Bergschenhoek

    Deze week diende bij het gerechtshof in Den Haag het hoger beroep in de zaak tegen een 40-jarige man. Onze cliënt werd in eerste aanleg door de Rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens poging tot moord op zijn ex-partner tot een gevangenisstraf van 12 jaren. Zowel de verdediging als het OM gingen in hoger beroep. In appel nam advocaat Tjalling van der Goot de verdediging van de vorige raadsman over.

     

    Lees hier de tweets van journaliste Saskia Belleman over de zaak.

     

    Cliënt en zijn ex-partner hebben samen een dochtertje. Over de omgang  en contacten waren destijds twistpunten. Cliënt stelt dat hem omgang werd ontzegd. Daarover was hij gefrustreerd. Op een avond in maart 2022 is hij met een geladen pistool naar de woning van zijn ex gegaan. Naar eigen zeggen om te dreigen. Cliënt verklaart boven aan de trap naar benden te zijn geduwd; de aangeefster verklaart dat cliënt enkele tredes naar beneden is gegleden. Feit is dat een schot is gelost waarbij het oog van het slachtoffer is geraakt. Zij heeft daarbij een oog verloren.

     

    De cruciale vraag is of het een bewust gelost schot is. Volgens het OM is daarvan sprake. Er zou volgens het OM een vooropgezet plan zijn om zijn ex om het leven te brengen. Wegens poging tot moord eiste het OM een gevangenisstraf van 14 jaren.

     

    Raadsman Van der Goot betoogde dat niet uit te sluiten valt dat het schot - zoals cliënt verklaart - onbedoeld is afgegaan. Hij bepleitte vrijspraak van dit feit. Het NFI heeft onderzoek gedaan en vastgesteld dat het wapen ondeugdelijk was. Zo bleek een huls klem te zitten in de kamer en konden geen proefschoten worden gelost. Alleen door middel van een harde klap met een hamer kon door het NFI een projectiel worden verschoten. Bovendien bevestigt het NFI dat een schot kan zijn gelost zonder de trekker over te halen, bijvoorbeeld als gevolg van een harde klap of val.

     

    Dat sprake was van een plan is door de verdediging eveneens betwist. Indien al sprake was van opzet, dan is de voorbedachte rade niet te bewijzen. Een belangrijk deel van de bewijsvoering lijkt gestoeld op tapgesprekken van na het feit waarin cliënt uitlatingen zou hebben gedaan in de Hindoestaanse taal waaruit volgt dat hij geen spijt had en zou willen dat zijn ex dood zou gaan. In hoger beroep is op verzoek van de verdediging door een andere vertaler vertaald. Daaruit volgt juist dat hij heeft gezegd juist niet te willen dat zijn ex dood zou gaan. Kortom, aan de taps kunnen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend voor het bewijs.

     

    Het hof doet uitspraak op 10 november.