Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle heeft vandaag uitspraak gedaan in de tuchtprocedure die is aangespannen door een voormalig verpleegkundige van het Wilhelminaziekenhuis Assen. De namens cliënt door de raadslieden Ronald Knegt en Tjalling van der Goot ingediende klachten zijn gericht tegen meerdere zorgverleners van GGZ Drenthe en een psycholoog van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN). De klachten zien op schending van de medische geheimhoudingsplicht en houden verband met informatie die door zorgverleners is gedeeld en die uiteindelijk heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek naar cliënt.
Cliënt werd in 2023 verdacht van het plegen van “een twintigtal moorden” op patiënten in het Wilhelminaziekenhuis in Assen. Die verdenking was enkel gebaseerd op informatie afkomstig van betrokken zorgverleners. Volgens deze zorgverleners zou cliënt tegenover hen belastende uitspraken hebben gedaan. Cliënt ontkent dergelijke uitlatingen te hebben gedaan. Uiteindelijk is de strafzaak in 2024 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Het tuchtcollege heeft de klachten (grotendeels) gegrond verklaard. De tegen een tweetal psychiaters ingediende klacht zijn gegrond verklaard. Deze hebben cliënt niet zelf onderzocht en hadden – teneinde in uitzonderlijke gevallen de geheimhoudingsplicht te doorbreken – zelfstandig een afweging moeten maken tussen het belang van geheimhouding en het belang dat met de doorbreking werd gediend. “Het college acht daarbij van betekenis dat ten tijde van de doorbreking van het beroepsgeheim niet zonder meer kon worden vastgesteld dat sprake was van concrete aanwijzingen voor een actueel risico op ernstige schade.” Onze cliënt was feitelijk niet meer werkzaam als verpleegkundige en tijdens een indicatiegesprek werd het recidiverisico als laag ingeschat. “Juist onder die omstandigheden had van de psychiater in zijn hoedanigheid van directeur behandeling mogen worden verwacht dat hij zich er nadrukkelijk van vergewiste dat minder ingrijpende alternatieven onvoldoende mogelijkheden boden om het veronderstelde risico af te wenden.”
Aan de psychiaters is een waarschuwing opgelegd.
De klacht tegen een klinisch psycholoog en gz-psycholoog is gedeeltelijk gegrond verklaard. Niet kan worden vastgesteld dat de psycholoog een rol heeft gespeeld bij de doorbreking van het beroepsgeheim. Wel verwijt het Tuchtcollege de psycholoog dat mogelijke doorbreking van het beroepsgeheim vanaf een vroeg stadium een dominant onderdeel van het behandeltraject is geworden. “Hierdoor heeft er onvoldoende gerichte diagnostiek plaatsgevonden, bijvoorbeeld naar waanstoornissen/psychotische fenomenen, die mogelijk een risicotaxatie beïnvloed had kunnen hebben. “ Daarnaast voelde cliënt zich met de rug tegen de muur gedrukt toen de psycholoog als eis stelde dat cliënt zich bij de politie moest melden, bij gebreke waarvan deze dat zelf zou doen. “Naar het oordeel van het college heeft de klinisch psycholoog hierbij onvoldoende oog gehouden voor zijn primaire rol als behandelaar en voor de belangen van klager als patiënt. “
Ook aan de psychologen is de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
De klachten tegen een verpleegkundige zijn ongegrond verklaard.
Het College bevestigt met de uitspraken het belang van het medisch beroepsgeheim en de zorgvuldigheid die van zorgverleners wordt verlangd bij het omgaan met vertrouwelijke patiëntinformatie. Het beroepsgeheim vormt een essentiële pijler onder de gezondheidszorg en mag slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken.
Cliënt is tevreden dat het tuchtcollege het belang van het beroepsgeheim en de professionele normen die voor zorgverleners gelden, nadrukkelijk heeft bevestigd.
De volledige uitspraken zijn hier te raadplegen.
Tegen de uitspraken staat hoger beroep open bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Cliënt hoopt dat het zover niet hoeft te komen.