Het gerechtshof in Leeuwarden behandelt op donderdag 19 mei a.s. vanaf 13.40 uur andermaal het hoger beroep in de zogeheten verkrachtingszaak Oostrum. Het hof veroordeelde in augustus 2008 een inmiddels 38 jarige inwoner van Groningen tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Het hof achtte bewezen dat onze cliënt zich had schuldig gemaakt aan verkrachting van een 13-jarig meisje in december 2006 nabij Oostrum. Cliënt heeft altijd stellig ontkend.
De zaak kenmerkt zich door een minimum aan bewijs. Zo is er geen direct sporenmateriaal dat aan cliënt kan worden gelinkt, is er geen DNA-match en heeft geen herkenning van de dader door getuigen plaatsgevonden. Bovendien hebben diverse getuigen verklaard dat cliënt op zijn werk aanwezig was (in de buurt van de plaats delict) op een zodanig tijdstip dat hij het feit niet gepleegd kan hebben. Wel is het slipje van het slachtoffer aangetroffen in een mortelzak op de bouwplaats waar cliënt destijds als bouwvakker werkzaam was.
Door de verdediging is cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de uitspraak in september 2009 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof Leeuwarden. De belangrijkste reden voor de vernietiging van het arrest is gelegen is het feit dat het hof een verzoek van raadsman mr. Tjalling van der Goot om nader DNA-onderzoek te verrichten had afgewezen.
Het gerechtshof heeft in september 2010 alsnog gelast dat nader DNA-onderzoek moet worden verricht aan sporen op het slipje. In december jl. heeft het hof een getuige gehoord teneinde te achterhalen op welke wijze het slipje in de mortelzak terecht kan zijn gekomen.
Zoals het nu lijkt wordt de zaak inhoudelijk behandeld. Ter zitting wordt een DNA-deskundige gehoord. De verdediging wacht nog op de resultaten van het door het hof gelaste aanvullende DNA-onderzoek.