Het gerechtshof in Leeuwarden hoorde op 14 december jl. een drietal getuigen in de verkrachtingszaak Oostrum. In die zaak is een inmiddels 38-jarige inwoner van Groningen eerder door het gerechtshof in Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden wegens verkrachting van een 13-jarig meisje nabij Oostrum in december 2006. De Hoge Raad heeft deze uitspraak echter in cassatie vernietigd zodat het gerechtshof de zaak moet overdoen. Het hof behandelt de zaak in een andere samenstelling dan het hof dat cliënt eerder heeft veroordeeld.
Door het hof werd onder meer een tweetal verbalisanten gehoord. Uit deze verhoren bleek dat vanaf het begin van het onderzoek door de politie met meerdere scenario’s rekening is gehouden. In het kader van een van deze scenario’s is getracht de eigenaar van het bouwterrein destijds te horen om te achterhalen of deze wellicht het slipje van het slachtoffer bij opruimwerkzaamheden was tegengekomen en zelf in een mortelzak had gedaan. Volgens de politie zou de eigenaar echter niet hebben willen meewerken aan het verhoor.
De eigenaar van het terrein betwist dat hij niet heeft willen meewerken. Hij stelt zich niet te kunnen herinneren een slipje in zijn handen te hebben gehad. De eigenaar bevestigde ter zitting overigens dat de in aanbouw zijnde woning, waar cliënt werkzaam was en alwaar het slipje in een zak is aangetroffen, vrij bereikbaar was en mogelijk onafgesloten was gedurende de tijd dat de werklieden waren vertrokken. Voor de verdediging is dit relevant omdat daarmee niet kan worden uitgesloten dat een derde, de dader, toegang heeft kunnen hebben tot de woning en gelegenheid heeft gehad om het slipje in een mortelzak te deponeren.
Ter zitting bleek dat de rechter-commissaris verwacht dat binnen 4 weken de resultaten van het Y-chromosomale DNA-onderzoek bekend zullen zijn. Naar verwachting zal de zaak inhoudelijk worden behandeld in februari of maart. Er wordt een dagdeel voor de behandeling gereserveerd.