Op dinsdag 14 december a.s., om 14.00 uur hervat het gerechtshof in Leeuwarden de behandeling van het hoger beroep in de verkrachtingszaak Oostrum. In deze zaak is in 2008 een 38-jarige man uit Groningen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden wegens verkrachting van een 13-jarig meisje nabij Oostrum in december 2006. Cliënt heeft altijd ontkend. Tegen deze beslissing heeft raadsman mr. Tjalling van der Goot destijds beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad vernietigde in september 2009 de uitspraak van het hof en heeft de zaak in volle omvang teruggewezen.
Het bewijs is uitermate mager. Zo heeft geen herkenning plaatsgevonden, zijn er geen getuigen die cliënt hebben gezien en zijn er geen sporen van cliënt aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan het delict.
Cruciaal in de bewijsvoering van het gerechtshof in 2008 is geweest het feit dat in een mortelzak op een bouwplaats vlakbij de plaats van het delict het slipje van het slachtoffer is aangetroffen. Cliënt werkte als bouwvakker op deze bouwplaats.
Het hof heeft in september jl. nader onderzoek gelast naar een passage in het dossier waaruit blijkt dat uit onderzoek van de politie zou zijn gebleken dat de eigenaar van het bouwterrein het slipje mogelijk elders heeft gevonden en bij het afval heet gedeponeerd. De eigenaar heeft destijds niet bij de politie willen verklaren. Het hof heeft gelast dat zowel deze eigenaar als de beide verbalisanten die met deze getuige hebben gesproken ter terechtzitting moeten worden gehoord. Op deze wijze trachten de raadsheren van het hof te achterhalen op basis van welke feiten en omstandigheden naar voren is gekomen dat wellicht de eigenaar van het bouwterrein het slipje reeds in handen heeft gehad voordat dit in een mortelzak op de bouwplaats terecht is gekomen. De mogelijkheid is dus aanwezig dat een derde het slipje in de mortelzak heeft gedaan. Iets wat cliënt van meet af aan heeft beweerd.
Het hof heeft in september jl. voorts bepaald dat een deskundige nader dient te rapporteren omtrent gerezen onduidelijkheden met betrekking tot een in 2008 uitgevoerd Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Ook het verzoek van de verdediging om een onafhankelijk onderzoeksbureau opnieuw Y-chromosomaal onderzoek te laten verrichten naar een tweetal biologische sporen van – waarschijnlijk – de dader is gehonoreerd. Dergelijk onderzoek zou een verdachte kunnen uitsluiten als donor van de betreffende sporen.
Op 14 december hoort het hof de getuigen (twee verbalisanten en de eigenaar van het bouwterrein). Daarna zal - zodra het DNA-onderzoek is afgerond - een datum voor de definitieve inhoudelijke behandeling worden vastgesteld.