Rechters reageren tot dusver terughoudend op verweren die anticiperen op zeer recente rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In de zaak Brusco tegen Frankrijk van 14 oktober 2010 lijkt het EHRM te hebben overwogen dat het beletten van de toegang van een raadsman bij het verhoor van de verdachte door de politie strijdig is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tot dan toe gold de rechtspraak dat de politie de verdachte voor het verhoor enkel diende te wijzen op zijn recht een advocaat te consulteren, hetgeen duidelijk minder verstrekkend is dan de aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor. Overigens is pas sinds 2009 onder druk van Europese rechtspraak aanvaard dat er een dergelijke consultatieplicht bestaat.
Binnen Europa hebben alleen België, Frankrijk, Schotland en Nederland geen wettelijke voorzieningen voor het verlenen van rechtsbijstand voorafgaande aan het politieverhoor.
Het gerechtshof in Amsterdam leest in zijn arrest van 17 november jl. niet dat het EHRM de verdachte een recht verstrekt tot de feitelijke aanwezigheid van een raadsman.
De rechtbank Dordrecht heeft bij vonnis van 26 november jl. in de ‘zaak Milly Boele’ een verweer van de verdediging impliciet gehonoreerd door te overwegen dat die verklaringen van de verdachte voor het bewijs worden uitgesloten. Nu de verdachte ter terechtzitting met name is ondervraagd naar aanleiding van een latere verklaring waarbij wel een raadsman aanwezig was, heeft – zo stelt de rechtbank – de verdachte geen belang bij bespreking van dit verweer.
Het gerechtshof in Arnhem is duidelijker. Op 29 november jl. is dit hof in de moordzaak Maartensdijk uitdrukkelijk op een dergelijk verweer van de verdediging ingegaan. Het gerechtshof legt de uitspraak van het EHRM aldus uit dat uitgegaan wordt van een nevenschikking van rechten: “de raadsman was niet in de gelegenheid hetzij de verdachte in te lichten over zijn rechten, hetzij hem bij te staan tijdens verhoren. Nu in deze zaak aan het eerst genoemde criterium was voldaan, bestond er naar het oordeel van het hof ook daarom al geen recht op aanwezigheid van een raadsman tijdens de verhoren. Het hof verwerpt daarom het beroep op bewijsuitsluiting.”
Het zijn de eerste uitspraken van Nederlandse rechters over deze problematiek.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft recentelijk terughoudend gereageerd op de aanwezigheid van de raadsman bij politieverhoren. Mede gelet op de praktische en financiële gevolgen voor het politieapparaat adviseert de minister vooreerst nader onderzoek.
Opvallend is dat in diverse buitenlanden anders wordt gereageerd op de Brusco-jurisprudentie. Zo heeft de Orde van de Vlaamse Balies in een persbericht laten weten dat het EHRM heeft geoordeeld dat de raadsman ook tijdens het verhoor de verdachte moet kunnen bijstaan.
In Engeland hebben de Law Lords van the Supreme Court eveneens de nadruk gelegd op “the presence of a lawyer as neccessary to ensure respect for the right of the detainee not to criminate himself.”
Aanwezigheid van een advocaat dus, niet louter consultatie.
Het is afwachten of de uitspraak van het EHRM in Nederland zal leiden tot een recht op aanwezigheid van een raadsman bij het verhoor. Rechters en de politiek zijn vooralsnog afwachtend en terughoudend. Echter, ook toen het EHRM aan het einde van 2008 overwoog dat verdachten voorafgaande aan het verhoor recht hadden een advocaat te raadplegen werd dat Europese recht pas later in Nederland geaccepteerd. Nederland loopt – voorzichtig uitgedrukt – niet voorop met dergelijke ontwikkelingen. De Hoge Raad zal zich er maar eens over moeten buigen.
Mr. Tjalling van der Goot