De politie die een man op 19 januari jl. op het schoolplein van een basisschool in Heerenveen met twee kogels neerschoot, handelde volgens raadsman mr. Tjalling van der Goot onrechtmatig. Deze stelling presenteerde hij ter zitting van de rechtbank op 10 juni. De rechtbank behandelde de zaak tegen een 41-jarige inwoner van Zwagerbosch. Hem werd ondermeer belaging, brandstichting, mishandeling en bedreiging verweten. De meeste feiten waren gericht tegen zijn ex-echtgenote. De incidenten dateren alle van na de feitelijke scheiding tussen de man en diens ex in augustus 2009.
Volgens de verdediging blijkt uit de stukken, waaronder het onafhankelijke onderzoek door de Rijksrecherche, dat onze cliënt zich op het schoolplein juist verwijderde van de politie. Ook was de politie op de hoogte van het feit dat de deuren van de school gesloten waren en dat hij de school dus niet kon betreden. Er was een grote afstand tussen de politie en cliënt. Bovendien waren er geen andere mensen op het schoolplein. Cliënt was niet bewapend met een vuurwapen. Ook had hij buiten een mes geen wapens of gereedschap bij zich om zich wellicht op een andere wijze toegang tot de school te kunnen verschaffen. Om die reden handelde de politie volgens Van der Goot disproportioneel en is de aanhouding onrechtmatig. Nadat cliënt zwaargewond op de grond lag is door de politie nog pepperspray gebruikt. De handelwijze is volgens de verdediging eveneens in strijd met de ambtsinstructie voor de politie en om die reden onrechtmatig.
De raadsman bepleitte forse strafvermindering als gevolg van deze onregelmatigheden ten tijde van de aanhouding.
Het openbaar ministerie eiste vrijspraak van voorbereiding van moord/doodslag/gijzeling. Tot dusver nam het OM het standpunt in dat cliënt, door met een mes op het schoolplein te lopen en vervolgens aan de deur te voelen een levendelict of gijzeling aan het voorbereiden was. De verdediging heeft van meet af aan bezwaar gemaakt tegen deze aantijging. Ter zitting erkende de officier van justitie dat geen bewijzen voor dit feit voorhanden zijn. Daarmee liet het OM het feit waar de hoogste straf op staat vallen. In de visie van de verdediging haalde het OM daarmee de angel uit de zaak. De officier van justitie eiste dat alle andere feiten bewezen konden worden verklaard. Volgens het openbaar ministerie moet aan cliënt een gevangenisstraf van drie jaren en tbs onder voorwaarden worden opgelegd.
Raadsman Van der Goot bepleitte grotendeels op juridische gronden vrijspraak van een groot deel van de feiten. Ten aanzien van de brandstichting voerde hij aan dat uit de verklaringen van de brandweerlieden blijkt dat het gevaar voor goederen in de woning als gevolg van de brand niet groot was. Bovendien verklaarde de bevelvoerder van de brandweer tegen de politie dat op zijn detectiemeter alarm werd geslagen in verband met de aanwezigheid van brandbare gassen. Het niveau dat op de detectiemeter werd gemeten is volgens de verdediging echter ruim onvoldoende voor een reëel gevaar voor ontploffing. De raadsman bepleitte een gevangenisstraf waarvan een groot deel voorwaardelijk. Hij stelde een straf voor in de orde van grootte van 24 maanden waarvan 12 voorwaardelijk. Als voorwaarde bij deze voorwaardelijk gevangenisstraf zou een verplichting (ambulante) behandeling moeten worden opgelegd.
De rechtbank doet uitspraak op donderdag 24 juni om 13.30 uur.