De raadslieden Jan Boksem en Tjalling van der Goot maken de gang naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Aanleiding is een recente beschikking van de voorzitter van het gerechtshof in Leeuwarden in een strafzaak tegen een tweetal vrouwen uit Nieuw-Dordrecht.
Beide cliënten werd eenvoudige belediging van een buurvrouw verweten. Cliënten ontkenden deze aantijging. Het bewijs was mager. Voorafgaande aan de terechtzitting heeft de verdediging nog getracht de officier van justitie zover te krijgen om de zaak tegen cliënten te seponeren. Zover wilde de officier van justitie echter niet gaan.
Ter zitting van de politierechter in Assen d.d. 10 november 2008 is door de verdediging gefundeerd verweer gevoerd. Onder meer is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard (vanwege de zeer geringe ernst van het feit, het niet-aanbieden van een schikkingsvoorstel en het niet kunnen uitleggen waarom in deze zaak tot dagvaarding moest worden overgegaan). Daarnaast is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voor handen is om tot een veroordeling te komen. De rechter verwierp echter de verweren; aan cliënten werd een geldboete opgelegd van € 100 waarvan € 50 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren
Cliënten ontkennen stellig en hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Indien echter in strafzaken in eerste aanleg een geldboete wordt opgelegd met een maximum van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts aanhangig gemaakt als de voorzitter van het gerechtshof hiervoor toestemming geeft, het zogeheten verlofstelsel (artikel 410a wetboek van strafvordering).
De voorzitter van het gerechtshof heeft in een beschikking d.d. 25 februari jl. geoordeeld dat cliënten “in de kern niet meer wensen dan een nieuwe behandeling van de zaak. De beoordeling van het dossier heeft niet geleid tot de verwachting dat een nieuwe behandeling tot een ander oordeel zal leiden dan in eerste aanleg gegeven.” Het ingestelde hoger beroep wordt dus om deze reden buiten behandeling gelaten.
Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
De verdediging is het fundamenteel oneens met de beschikking van het hof. Het is juist dat cliënten een nieuwe behandeling van de zaak wensen. Een dergelijke wens is immers inherent aan het instellen van elk hoger beroep. De voorzitter heeft echter het oordeel dat een behandeling tot geen andere beslissing zal leiden dan in eerste aanleg, enkel gebaseerd op studie van de (schriftelijke) stukken. Er heeft geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, noch is de verdediging verzocht om schriftelijk de redenen van het hoger beroep nader uiteen te zetten.
Met de beschikking van het hof wordt de mogelijkheid voor onze cliënten om in hoger beroep hun onschuld aan te tonen doorkruist. Omdat geen rechtsmiddel openstaat, zullen zij zich in beginsel bij deze beslissing moeten neerleggen. Naar de mening van de verdediging strijdt de regeling van het verlofstelsel met het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens. Zo is niet duidelijk op basis van welke stukken de voorzitter een dergelijke beslissing neemt (heeft hij bijvoorbeeld de beschikking over het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en weet hij hoe de verweren van de raadsman zijn geformuleerd?). Het is niet uit te sluiten dat beslissingen van de verlofrechter tot stand komen op basis van diens persoonlijke rechtvaardigingsgevoel of diens intuïtie, ofwel met diens natte vinger. Een en ander komt in strijd met een van de beginselen van een rechtstaat dat een beslissing deugdelijk moet zijn gemotiveerd.
De vraag is of en zo ja, tot op welke hoogte het recht om hoger beroep in te stellen mag worden beperkt. Hoezeer moet worden erkend dat het in de onderhavige zaak om een licht verwijt ging en dat de straf van de rechter niet hoog was, ook lichte zaken verdienen serieuze rechtspraak. Het woord is nu aan de Europese rechter.
Naar verwachting zal pas in de loop van 2010 een uitspraak kunnen worden verwacht.