Hoever reikt de macht van één politieagent? Op 7 november jl. bevestigde het gerechtshof in Leeuwarden een beslissing van de kantonrechter in Assen. In die zaak was een 56-jarige inwoner van Noordlaren beboet omdat hij volgens een agent in oktober 2006 met een mobiele telefoon in zijn hand had gereden. Onze cliënt ontkent. Volgens cliënt heeft de agent mogelijk zijn cassetterecorder/dictafoon voor een mobiele telefoon aangezien.
De agent had in het proces-verbaal verklaard dat hij een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp had gezien. Op de zogeheten combibon had hij daarentegen ingevuld dat cliënt een telefoon vasthield, dus niet een voorwerp dat slechts op een telefoon lijkt. Daarnaast had de verbalisant in het proces-verbaal opgenomen dat bij de staandehouding door hem geconstateerd zou zijn dat het een mobiele telefoon betrof. In een aanvullend proces-verbaal echter draaide hij dat weer terug en verklaarde dat onze cliënt geen mobiele telefoon meer aan zijn oor had.
De betreffende verbalisant is ter zitting in eerste aanleg als getuige gehoord. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt dat de verbalisant (onder ede) heeft verklaard een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp te hebben geconstateerd. De agent heeft niet uitgelegd op basis van welke waarneming hij tot de conclusie is gekomen dat het voorwerp op een mobiele telefoon leek (bijv. de kleur of de vorm). In een aanvullend proces-verbaal van juli 2008 – ruim anderhalf jaar na het feit en na het horen als getuige ter zitting van de kantonrechter – had deze agent daarentegen weer aangegeven te hebben waargenomen dat cliënt een mobiele telefoon in zijn hand hield.
Veel onduidelijkheid dus: was het nu een mobiele telefoon of slechts iets dat daar op leek? De raadsman had het gerechtshof om die reden op voorhand verzocht de agent ter zitting als getuige te horen. Dit om meer duidelijkheid te verkrijgen wat deze nu exact had gezien. Het gerechtshof heeft dit verzoek echter afgewezen.
Bij de totstandkoming van de regeling waarin het verbod om te besturen met een mobiele telefoon in de hand is geregeld, is uitdrukkelijk overwogen dat het verbod zich niet uitstrekt tot een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp. Het moet dus gaan om een mobiele telefoon, niet om iets dat er op lijkt. Door de raadsman is een beroep gedaan op deze totstandkomingsgeschiedenis en is gepleit de beslissing van de kantonrechter de vernietigen. Immers, juist onder ede heeft de verbalisant ten overstaan van de kantonrechter bevestigd slechts een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp te hebben gezien.
Volgens het gerechtshof blijkt uit het dossier dat de verbalisant heeft verklaard dat een mobiele telefoon is waargenomen. Het hof verwijst daarbij onder meer naar het anderhalf jaar na het feit opgemaakte proces-verbaal, waarin deze betreffende verbalisant verklaard een mobiele telefoon te hebben gezien. Daarmee is de kous af.
De uitspraak van het hof is zeer teleurstellend. Ondanks het feit dat de verbalisant wisselend verklaarde, ondanks het feit dat de verbalisant nimmer heeft kunnen aangeven op grond van welke uiterlijke verschijningskenmerken hij tot de conclusie kwam dat het een mobiele telefoon was en niet een voorwerp dat slechts op een mobiele telefoon leek, verwijst het gerechtshof naar een anderhalf jaar later opgemaakt proces-verbaal waarin ongemotiveerd door de agent is verklaard een mobiele telefoon te hebben waargenomen. Van belang is nog dat cliënt na de staandehouding de agent heeft uitgenodigd de auto te doorzoeken om een mobiele telefoon te zoeken, op welke uitnodiging de verbalisant niet is ingegaan.
Formeel valt het rijden met een mobiele telefoon niet onder het strafrecht maar onder de zogeheten Wet Mulder. De regels van strafrecht zijn dus strikt genomen niet van toepassing. Toch kan de zaak van onze cliënt breder worden getrokken. Een agent wordt in beginsel op zijn woord geloofd. In strafzaken geldt zelfs dat een veroordeling niet gebaseerd mag zijn op één getuige, tenzij die getuige een politieagent is. Uit diverse recente vonnissen blijkt dat dit vertrouwen is sommige gevallen ernstig wordt beschaamd. Maar het is lastig om als burger aannemelijk te maken dat de verbalisant het niet bij het juiste eind heeft. De gebrekkige constateringen van de agent in de onderhavige zaak en de desondanks voor cliënt gevolgde nadelige beslissing van het gerechtshof, is een aanleiding om te bepleiten de wet op dit punt te herzien. De wet stamt uit 1926, het is nu 2008. Moeten wij nog steeds een grotere waarde toekennen aan een verklaring van een opsporingsambtenaar in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal? Wat mij betreft niet. Enig steunbewijs is wat mij betreft noodzakelijk, zoals dat ook wordt verlangd als de getuige niet politieman maar een ´gewone` burger is. De rechtspositie van de verdachte in strafzaken wordt dan versterkt.
Mr. Tjalling van der Goot
Anker & Anker Strafrechtadvocaten