Op vrijdag 24 oktober 2008 vond ten overstaan van het gerechtshof in Leeuwarden in hoger beroep een zitting plaats in een principiële zaak. Een 56-jarige inwoner van Noordlaren is in 2006 staande gehouden in zijn auto. Volgens een politieagent zou cliënt tijdens het rijden een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp hebben vastgehouden. Cliënt betwist dit.
Cliënt wordt bijgestaan door mr. Tjalling van der Goot.
Door de verdediging is betoogd dat een ´op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp` niet hetzelfde is als een mobiele telefoon. Krachtens de wet is het verboden om tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden; bij de totstandkoming van deze regelgeving is uitdrukkelijk overwogen dat een voorwerp dat slechts op een mobiele telefoon lijkt niet onder het bereik van deze verbodsbepaling valt.
Van belang is nog dat de verbalisant niet is ingegaan op het verzoek van cliënt om een nader onderzoek in de auto in te stellen. Een dergelijk onderzoek had kunnen uitwijzen dat cliënt geen mobiele telefoon aanwezig had.
Het gerechtshof zal een uitspraak moeten doen over de vraag of de enkele constatering van een politieagent dat een bestuurder van een voertuig een voorwerp in zijn hand had dat op een mobiele telefoon leek voldoende is om onder het bereik van het verbod te vallen.
Indien het gerechtshof het verbod beperkt tot een mobiele telefoon en niet tot een op zo´n telefoon gelijkend ander voorwerp, betekent dit dat de politie voortaan in vrijwel alle gevallen nader onderzoek zal moeten instellen. Van buiten het voertuig is immers niet of nauwelijks met zekerheid waar te nemen dat het door de bestuurder gehanteerde voorwerp daadwerkelijk een mobiele telefoon is. Hooguit dat het voorwerp op een mobiele telefoon lijkt. Maar zelfs indien na nader onderzoek in de auto van de bestuurder of aan diens kleding door de politie een mobiele telefoon zou worden aangetroffen, is het uiterst moeilijk aannemelijk te maken dat de bestuurder met die betreffende telefoon in de hand heeft gereden. Kortom, de uitspraak van het gerechtshof kan verstrekkende gevolgen hebben.
De verdediging bepleit aanpassing van de regelgeving op dit punt. Ook indien een ander voorwerp dan een mobiele telefoon in de hand wordt gehouden, is slechts één hand beschikbaar voor het verrichten van de noodzakelijke verkeershandelingen. Juist dit aspect is een belangrijke reden geweest voor de invoering van het verbod om een mobiele telefoon gedurende het rijden in de hand te houden. Naar de mening van de verdediging moet het verbod in het belang van de verkeersveiligheid dan worden uitgebreid naar alle voorwerpen, niet slechts de mobiele telefoon. Een dergelijke verruiming van de verbodsbepaling voorkomt bovendien problemen bij de handhaving van het verbod. Indien het verbod daarentegen niet zou worden verruimd maar beperkt blijft tot een mobiele telefoon, dient in alle gevallen een onderzoekplicht bij de opsporingsambtenaar te worden gelegd om vastgesteld te krijgen dat het daadwerkelijk om een mobiele telefoon gaat. In veel gevallen, zeker als een bestuurder ontkent, zal dit naar verwachting niet meer kunnen worden vastgesteld en zal de bestuurder vrijuit gaan.
Uitspraak op 7 november a.s. om 13.30 uur.