In De Volkskrant van 7 mei 2008 is melding gemaakt van het feit dat door de regiopolitie IJsselland de kentekens van alle voertuigen door middel van camera´s boven de weg worden vastgelegd. Deze gegevens worden vervolgens enkele dagen bewaard. Door analyse van deze gegevens hoopt de CIE misdaden te kunnen oplossen.
Naar onze mening biedt de wet echter geen grondslag voor deze handelwijze van de politie.
De politie baseert zich op artikel 2 van de Politiewet 1993. Op basis van dit artikel is de politie – onder meer – bevoegd tot “daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde”. Bovendien moet deze handhaving “in overeenstemming met de geldende rechtsregels” zijn.
Het hoogste rechtscollege in Nederland, de Hoge Raad, heeft zich in het recente verleden over de reikwijdte van artikel 2 Politiewet 1993 uitgelaten. Volgens de Hoge Raad bevat artikel 2 slechts een algemene taakomschrijving voor de politie. Het artikel mag niet als een algemene bevoegdheid om op te sporen worden aangemerkt.
Indien de camerabeelden worden gebruikt om te checken of voertuigen verzekerd zijn, of de houder van het voertuig een rijbewijs heeft of dat het voertuig anderszins in verband kan worden gebracht met een strafbaar feit, dan is de politie naar onze mening bezig met opsporen. Artikel 2 van de Politiewet 1993 biedt hiervoor geen basis.
Ook indien geen sprake is van opsporen maar slechts van controle, kan artikel 2 geen grondslag bieden. In de eerste plaats niet omdat het artikel voor een dergelijke ingrijpende maatregel te vaag en te algemeen is geredigeerd. Bovendien blijkt uit de wetstekst dat handhaving van de rechtsorde enkel mogelijk is in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Door het stelselmatig filmen van voertuigen met de bijbehorende kentekens, wordt daarentegen inbreuk gemaakt op de geldende privacywetgeving. Ook het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft volgens De Volkskrant de registratie “onaanvaardbaar” genoemd.
Kortom, artikel 2 van de Politiewet 1993 is geen basis voor het registreren en analyseren van alle kentekens. Daarvoor is een specifieke wettelijke bevoegdheid noodzakelijk. Nu die er niet is, zal de wet moeten worden aangepast.
Onlangs heeft de minister van justitie mr. Hirsch Ballin nog laten weten dat de wettelijke basis nog niet geheel duidelijk is. Naar onze mening had er op dit punt eerst een deugdelijk onderzoek moeten plaatsvinden. Nu is het zo dat de beide ministeries eerst schieten en vervolgens de roos tekenen!
Steun voor bovengenoemde visie vinden wij in een recente uitspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht van 11 maart 2008 over deze kwestie. Vergelijkbare situatie als in Nederland speelde in Duitsland in Hessen en Sleeswijk-Holstein. Aldaar was wel een onderliggende regeling, doch deze werd door het Bundesverfassungsgericht niet als voldoende basis bestempeld om een dergelijk grote inbreuk op de privacy van vele burgers, die nog niet als verdachte gelden, te rechtvaardigen.
Mocht op basis van de huidige wetgeving de registratie van kentekens leiden tot het opsporen van een strafbaar feit en tot een verdachte, kan de verdachte ter terechtzitting een beroep doen op onrechtmatig verkregen bewijs.
Mr. Tjalling van der Goot,
namens Anker & Anker Strafrechtadvocaten