De rechtbank te Groningen heeft op 3 april 2008 tijdens een zogeheten pro forma zitting bepaald dat de behandeling van de zaak voor maximaal drie maanden wordt uitgesteld en dat onze cliënt, een 21-jarige man uit ’t Zandt, vooralsnog niet wordt vrijgelaten. Naar alle waarschijnlijkheid zal de inhoudelijke behandeling in juni 2008 kunnen plaatsvinden.
Raadsman mr. Tjalling van der Goot betoogde dat het OM na half januari geen aanvullende stukken meer aan het dossier had toegevoegd en het daarmee voor de rechtbank en de verdediging onmogelijk was om te toetsen of er voldoende ernstige bezwaren voor voortzetting van de voorlopige hechtenis aanwezig waren. De raadsman vroeg op opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
De rechtbank volgde gedeeltelijk de visie van de verdediging en oordeelde dat op elk toetsingsmoment, zoals tijdens een pro forma zitting, de officier van justitie moet zorgdragen van een ‘update’ van de stand van het onderzoek. Nu er geen update was, heeft de rechtbank op basis van de stukken uit januari moeten beoordelen of er nog een voldoende stevige verdenking aanwezig was. Nu geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, dienen volgens de rechtbank de criteria voor voorlopige hechtenis zwaarder te worden getoetst. Volgens de rechtbank zijn er ten aanzien van een tweetal feiten nog voldoende ernstige bezwaren, ten aanzien van de andere feiten oordeelde de rechtbank deze niet meer aanwezig.
Het verzoek van de verdediging om het voorarrest op te heffen of te schorsen, werd afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de zaak veel maatschappelijke onrust veroorzaakt. Hoewel er ‘slechts’ twee feiten aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, weegt het maatschappelijk belang zwaarder dan het persoonlijke belang van onze cliënt om de strafzaak in vrijheid af te wachten.