De 22-jarige man die door de rechtbank in Groningen op 4 februari 2008 is veroordeeld wegens doodslag op zijn (ex)vriendin Tessa Klaver gaat in hoger beroep. De rechtbank legde onze cliënt een gevangenisstraf van tien jaren op; de straf was gelijk aan de eis van het openbaar ministerie.
Cliënt wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. Tjalling van der Goot.
Cliënt is het in het bijzonder om twee redenen oneens met het vonnis.
In de eerste plaats rekent de rechtbank cliënt aan dat hij na de verwurging geen hulp heeft ingeroepen. De rechtbank verwijst daarbij naar de conclusie van de patholoog, die stelt dat het slachtoffer “waarschijnlijk” nog niet was overleden nadat cliënt zijn handelingen had gestaakt. Cliënt heeft steeds verklaard te hebben gedacht dat het slachtoffer reeds was overleden. Het opmerkelijk dat cliënt desondanks wordt verweten dat hij geen hulp heeft ingeroepen. De verdediging is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de patholoog tevens heeft verklaard dat het voor een leek niet of nauwelijks mogelijk is de dood te constateren; sterker nog dat het zelfs voor een arts niet gemakkelijk is om het intreden van de dood vast te stellen. Met andere woorden, ook de deskundige stelt vast dat cliënt kon menen dat het slachtoffer reeds was overleden.
In het verlengde hiervan heeft de rechtbank volgens de verdediging ten onrechte cliënt verweten na de verwurging alleen maar aan zichzelf te hebben gedacht en hebben de rechters hem een “verwijtbare, berekenende en egocentrische handelswijze” aangerekend. Cliënt meende echter op dat moment aan het overlijden van het slachtoffer (helaas) niets meer te hebben kunnen doen; cliënt meende immers dat zij toen reeds was overleden. De rechtbank is voorbijgegaan aan de pure panieksituatie waarin cliënt verkeerde nadat hij tot het besef kwam het slachtoffer te hebben gewurgd. Cliënt handelde, zo blijkt ook uit de onderzoeken omtrent de persoon van cliënt, op dat moment niet nuchter en rationeel.
Ten tweede heeft de rechtbank de verwijzing door de raadsman naar straffen in min of meer vergelijkbare zaken verworpen door de oordelen dat “deze zaak, overigens als vele anderen, zo eigen van aard dat de rechtbank deze op zijn eigen inhoudelijke merites beoordeelt”. De verdediging is echter van mening dat in de onderhavige zaak weliswaar doodslag bewezen is verklaard maar een straf voor moord is gevolgd. De straf in deze zaak loopt, gezien de straffen in andere zaken, in voor cliënt negatieve zin uit de pas. De verdediging kan de rechtbank niet volgen dat deze zaak zo afwijkt van andere zaken dat elke vergelijking mank gaat.
De wet schrijft voor dat de zaak in hoger beroep binnen zes maanden moet plaatsvinden. In hoger beroep zal de zaak worden behandeld door het gerechtshof in Leeuwarden.