Op 5 februari 2008 schreef mr. Wim Anker de volgende brief aan het Ministerie van Justitie betreffende het rapport "Bewerkelijke zaken" van de Werkgroep Bewerkelijke zaken dat deze maand is uitgebracht.
"Hierbij reageer ik op het rapport “Bewerkelijke zaken” van de Werkgroep Bewerkelijke Zaken, dat in februari 2007 is uitgebracht.
Ondergetekende is een advocaat die een groot deel van zijn cliënten bijstaat op pro-deobasis. In dat kader is er dikwijls sprake van zaken – met name levensdelicten – waarin ik aan de Raad voor Rechtsbijstand vraag om toestemming bewerkelijke zaak.
De afgelopen weken ben ik in discussie geweest met verschillende medewerkers van de vijf Raden voor Rechtsbijstand in Nederland over het eerdergenoemde rapport en de “leidraad extra uren zaken”.
Op twee punten zou ik een wijziging van de regelgeving willen voorstellen:
a. Naar mijn mening is het gewenst en noodzakelijk dat in de toekomst meerdere advocaten in één zaak aan een cliënt kunnen worden toegevoegd. Dit kunnen advocaten zijn van hetzelfde kantoor, doch ook van een ander kantoor binnen hetzelfde arrondissement of een ander arrondissement. De huidige regelgeving sluit niet aan bij de (grote) veranderingen die zich de afgelopen jaren in de strafpraktijk hebben voorgedaan. Regelmatig is er sprake van grote gecompliceerde zaken, die leiden tot processen van meerdere dagen, weken of zelfs maanden. Ik wijs bijvoorbeeld op de twee geruchtmakende Hells Angels-processen, waarbij ons kantoor betrokken was (is). Naast zeer omvangrijke dossiers is er in die zaken sprake geweest van tientallen zittingsdagen en het horen van zeer veel getuigen. Door één advocaat kan zo’n zaak onmogelijk worden behandeld, gelet op de omvang ervan en de juridische complexiteit.
Het moet absoluut mogelijk worden dat meerdere advocaten naast elkaar gaan functioneren. Het moet dan natuurlijk wel gaan om complementaire werkzaamheden, dubbel werk moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Binnen ons kantoor is het al een aantal keren voorgekomen dat wij een zeer grote en bewerkelijke zaak niet hebben aangenomen. Het gaat dan met name om zaken, waarin meerdere advocaten moeten optreden, terwijl op basis van de bestaande regelgeving slechts de werkzaamheden van één advocaat worden vergoed. Deze ontwikkeling is slecht voor de rechtszoekende en ook voor de kwaliteit van de rechtspleging in het algemeen. Er kan landelijk een leemte in de rechtshulp ontstaan.
Tenslotte wijs ik nog op pag. 4 onder B.6 van het rapport “Bewerkelijke Zaken”. Steun voor mijn standpunt, zoals onder punt a. verwoord, ontmoette ik ook tijdens recente bijeenkomsten met de diverse Raden in Amsterdam en Arnhem.
b. Op dit moment is het qua regelgeving ook uitgesloten dat de uren van een juridisch medewerker worden vergoed. Op ons kantoor spelen vele zaken waarin onze twee juridisch medewerkers tientallen uren besteden. Een redelijke oplossing lijkt om deze uren wel te vergoeden, doch tegen een lager basisuur-tarief. Dit werkt ook nog kostenbesparend, omdat de kosten veel hoger zijn, indien de advocaat zelf al deze werkzaamheden moet verrichten. De ondersteuning van juridisch medewerkers is nodig, mede gezien in het licht van het gestelde onder punt a. Het aantal omvangrijke en gecompliceerde strafzaken neemt nog steeds toe.
Ondergetekende is gaarne tot een mondelinge toelichting bereid.
Kopie dezes zend ik aan de Orde van Advocaten in Den Haag, de vijf Raden voor Rechtsbijstand in Nederland en de Vaste Kamercommissie voor Justitie.
Hoogachtend,
w.g. W. Anker"