|
Problemen ademanalyse (26-01-2007)
Er is inmiddels in den lande commotie ontstaan over de toepassing van artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken. In dit artikel staat dat de ademanalyseapparatuur (op het politiebureau, niet te verwarren met de blaastest op straat) alleen mag worden bediend door politieambtenaren die daartoe door de korpschef zijn aangewezen. Een dergelijke aanwijzing geschiedt alleen indien de betrokken ambtenaar heeft getoond de voor het bedienen van de apparatuur benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.
Het betreft hier dus een wettelijke regeling, die door de politiekorpsen moet worden nageleefd. Enige maanden geleden is ons gebleken dat kennelijk niet binnen elk politiekorps aan deze eisen wordt voldaan. Zo blijkt uit een artikel in het blad Verkeersknooppunt van december 2005 dat in 2003 binnen het politiekorps Rotterdam-Rijnmond 307 politieambtenaren niet waren aangewezen door de korpschef. Wij hebben ons vervolgens afgevraagd hoe de situatie binnen de andere korpsen in Nederland zou zijn. Indien een bedienaar van het ademanalyseapparaat niet is aangewezen, zijn de gevolgen groot. De Hoge Raad heeft namelijk op 20 december 1994 geoordeeld dat het in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken gaat om strikte waarborgen waarmee het alcoholonderzoek is omgeven. Is aan deze vereisten niet voldaan dan dient vrijspraak het gevolg te zijn.
Indien de verdachte of een advocaat ter terechtzitting verweer voert op dit punt, dan moet de rechter hier uitdrukkelijk op reageren.
De laatste maanden hebben wij veelvuldig dit verweer gevoerd tijdens politierechterzittingen in het gehele land. Ook collega’s van andere kantoren hebben een beroep gedaan op artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken. Inmiddels is ons één vrijspraak bekend. Vaak is het zo dat de rechter besluit om de behandeling van de zaak voor enige maanden aan te houden. De officier van justitie kan dan in die tussentijd onderzoek verrichten.
Duidelijk is inmiddels wel dat het OM moeite heeft om ter terechtzitting aan te tonen dat de betrokken politieambtenaar aan de door de wet gestelde eisen voldoet. Om onduidelijkheid op dit punt te voorkomen lijkt het ons aangewezen dat de officieren van justitie de aanwijzing van de korpschef in het vervolg bij de processtukken voegen. In nog lopende strafzaken kan dit verweer worden gevoerd.
Een andere vraag is hoe er gehandeld moet worden indien een betrokkene al veroordeeld is door de politierechter. Het vonnis is dan immers onherroepelijk. De kansen voor de veroordeelden zijn naar onze mening niet erg groot. Er ligt een onherroepelijk vonnis, dat in beginsel moet worden uitgevoerd. Het zal lastig worden om aan te tonen, in een individueel geval, dat de bedienaar van het ademanalyseapparaat destijds onbevoegdelijk heeft gehandeld. De veroordeelde zal dan immers over concrete informatie hieromtrent moeten beschikken. Misschien is het mogelijk om een verzoek te richten tot het Openbaar Ministerie. De vraag is wat dit in de praktijk oplevert. Mocht uit de verkregen informatie blijken dat de politieambtenaar destijds onbevoegd was, dan had de zaak met een vrijspraak afgedaan moeten worden. In dat geval kan wellicht een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden ingediend. Misschien dat ook een gratieverzoek, hoewel juridisch minder zuiver, een mogelijkheid is. Inmiddels veroordeelden moeten dus niet te hoge verwachtingen koesteren op dit punt.
Diverse verdachten en/of veroordeelden hebben contact met ons opgenomen naar aanleiding van de hiervoor omschreven commotie. Men heeft onder meer gevraagd of de problemen met betrekking tot de mogelijke onbevoegdheid van de bedienaar van het ademanalyseapparaat ook gevolgen heeft voor een zogeheten CBR-procedure. Het CBR kan namelijk op grond van de Wegenverkeerswet 1994 een onderzoek gelasten naar de rijvaardigheid of de geschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Voorts kan het CBR een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opleggen. Het door het CBR opgelegde onderzoek naar de geschiktheid naar de rijvaardigheid of geschiktheid, alsmede de verplichte EMA-cursus staan formeel geheel los van de strafzaak. Indien dus mocht blijken dat de bedienaar van het ademanalyseapparaat niet is aangewezen en aldus onbevoegdelijk heeft gehandeld, zou dit in de strafzaak tot een vrijspraak leiden. In de CBR-kwestie speelt dit echter in beginsel geen rol. Indien men het oneens is met een door het CBR opgelegde verplichting, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. In dat geval kan men contact met ons kantoor opnemen om te bezien of een bezwaar- of beroepsprocedure juridisch haalbaar en zinvol is. Het enkele feit dat de bedienaar niet is aangewezen, is geen reden voor een bezwaarschrift.
|